Onderzoeksopdrachten 'Woonfiscaliteit' en 'Sociale huur'

Onderzoek naar de woonfiscaliteit in Vlaanderen (2013-2014)

Met de staatshervorming van de jaren ‘80 werd huisvesting als bevoegdheid overgedragen naar de gewesten. Met betrekking tot de woonfiscaliteit werd enkel de heffing van het registratierecht overgeheveld en werd aan de gewesten de mogelijkheid geboden om opcentiemen te heffen op de onroerende voorheffing. Andere onderdelen van de huisvestingsfiscaliteit, zoals BTW en inkomstenbelasting, bleven federale bevoegdheden. Het federale regeerakkoord van december 2011 voorziet in de overdracht van de bevoegdheid inzake de huurwetgeving en de belastingverminderingen of belastingkredieten voor de eigen woning naar de gewesten. De overdracht van de fiscale voordelen voor o.a. de eigen woning, werd reeds geïmplementeerd via het wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en het ontwerp van de bijzondere wet tot hervorming van de financiering van de gemeenschappen en de gewesten.

In navolging van het regeerakkoord van 2011 diende de Vlaamse regering de nodige maatregelen te nemen om de overdracht van de bevoegdheden voor te bereiden teneinde deze zo efficiënt mogelijk te laten verlopen. In dat kader werd onder meer beslist om het ‘Onderzoek naar de woonfiscaliteit in Vlaanderen’ te laten uitvoeren. Doel van het onderzoek is het verkennen van de effecten van de fiscaliteit op de woningmarkt en het formuleren van aanbevelingen voor een optimale woonfiscaliteit. Het onderzoek ging van start in juli 2013 en werd afgerond in loop van mei 2014. De studie resulteerde in een eindrapport met beleidsaanbevelingen. Het rapport bestaat uit vijf delen:

  • Deel 1 brengt de resultaten van een literatuurstudie over diverse aspecten van de huisvestingsfiscaliteit in beeld. Daarnaast wordt het subsidie instrumentarium in België (Vlaanderen), Denemarken, Duitsland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk beschreven, zodat het Vlaamse wooninstrumentarium internationaal gepositioneerd kan worden. Tevens positioneren de onderzoekers het instrumentarium van de verschillende landen in de aanbevelingen van de Mirrlees Review over de invulling van de optimale belastingtheorie.
  • Deel 2 vormt het budgettaire luik van de studie. Het brengt de budgettaire impact van de huidige regeling in beeld en gaat dieper in op het gebruik van de fiscale voordelen voor de eigen woning. Daarnaast wordt een model uiteengezet op basis waarvan verfijnde ramingen van de budgettaire ontwikkeling gemaakt kunnen worden.
  • Deel 3 behandelt de relatie tussen de woonfiscaliteit en de woningprijs. Het geeft een overzicht van de impact van de woonfiscaliteit op de woningprijzen, de betaalbaarheid en op verschillende woningmarktsegmenten en doelgroepen.
  • In deel 4 wordt een beoordelingskader opgesteld op basis waarvan hervormingsscenario’s kunnen worden getoetst. Daarnaast wordt er voor verschillende varianten van de woonbonus de impact op de woningprijs, betaalbaarheid en verdeling berekend en wordt een budgettaire prognose gemaakt.
  • De resultaten van het gehele onderzoek worden kernachtig samengevat in het vijfde deel. Uit deze studie volgen aanbevelingen waarvan de onderzoekers menen dat ze kunnen helpen bij het vormgeven van het toekomstig beleid rond de woonfiscaliteit.


Het onderzoek werd gevoerd door een consortium van het Centrum Economische Studiën (CES – KU Leuven), het Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving (HIVA – KU Leuven) en de TU Delft in Nederland.

De onderzoeksresultaten werden op 24 juni 2014 voorgesteld tijdens de studienamiddag ‘De woonfiscaliteit door een economische bril’.
Hier vindt u het eindrapport van het onderzoek en de presentaties van de studiedag.

 

Onderzoeksopdracht  'De sociale huur als instrument voor het recht op wonen' (2014-2015)

Het doel van deze studie was het onderzoeken welke betekenis wordt gegeven aan de begrippen ‘recht op behoorlijke huisvesting’ en ‘recht op wonen’ in de rechtspraak en hoe deze invulling een invloed uitoefent op de rechtspraktijk. De vraag was verder of het recht op behoorlijke huisvesting doorwerkt in de sociale en private huurrechtelijke verhoudingen. Meer precies moest worden nagegaan hoe het recht op behoorlijke huisvesting voor de rechter geconcretiseerd wordt en welke rechtsgevolgen het met zich meebrengt. Het onderzoek diende voorts in te gaan op de rol die het grondrecht op wonen speelt in herkenbare problematieken en situaties, aan de hand van de bestaande rechtspraak. Daarbij was telkens voorwerp van analyse welke inhoud aan het concept "menselijke waardigheid" wordt gegeven, dat uitdrukkelijk als toetssteen in artikel 23 van de Grondwet is opgenomen. De studie diende te resulteren in een eindrapport met conclusies en aanbevelingen aan de Vlaamse overheid.

Het onderzoek werd gevoerd door de Universiteit Antwerpen. De opdracht ging van start op 1 januari 2014. Het eindrapport werd opgeleverd op 6 juli 2015.

Het rapport is als volgt opgebouwd:

  • Hoofdstuk 1 bespreekt enerzijds het grondrecht op wonen – m.n. de rechtsbronnen, de uitgangspunten van de decreetgever bij het uitvaardigen van de Vlaamse Wooncode en de inhoudelijke aspecten van het grondrecht op wonen – en anderzijds het huidige sociaal huurstelsel in het Vlaamse Gewest.
  • In het tweede hoofdstuk wordt nader ingegaan op het regelgevend model van het sociaal huurstelsel. Er wordt vastgesteld dat het Vlaamse sociaal huurstelsel het dichtste aansluit bij het model van sociaal vangnet, met op juridisch vlak een centraal gedirigeerd systeem tot gevolg, waarbij de eindverantwoordelijkheid bij het Vlaamse Gewest ligt. Dit houdt in dat het Vlaamse sociaal huurstelsel zich voornamelijk toespitst op de meest woonbehoeftigen. Om de in het rapport gedetecteerde problemen op te lossen wordt o.a. voorgesteld om het principe van de autonomie van de sociale verhuurder effectief door te voeren en het sociaal huurstelsel op bepaalde vlakken minder gedetailleerd te maken.
  • In hoofdstuk 3 wordt de concrete rechtsverhouding tussen de sociale verhuurder en de huurder bekeken. Bij elke beslissing van een sociale verhuurder zal een afweging moeten worden gemaakt tussen de belangen van de concrete huurder of de concrete kandidaat-huurder tegenover het algemeen belang van het sociaal huurstelsel en de abstracte (kandidaat-)huurder. Ook de invloed van de ‘overeenkomstige plichten’ wordt bekeken, m.n. welke eisen kunnen worden gesteld aan de woonbehoeftige zelf.
  • Het vierde hoofdstuk overloopt het volledige sociaal huurstelsel en bundelt de opmerkingen uit de vorige hoofdstukken. Per thema wordt de huidige regeling besproken, worden bedenkingen gemaakt en suggesties gedaan en wordt een conclusie gesteld.
  • Het rapport wordt afgesloten met een bibliografie en vergelijking van het Vlaamse, Brusselse en Waalse sociaal huurstelsel op hoofdlijnen.
     

Hier kan u het eindrapport downloaden: PDF icon eindrapport - Sociale huur als instrument ter verwezenlijking van het grondrecht op wonen

 

Contact

Adres: 
Team Strategie en Onderzoek
Herman Teirlinckgebouw
Havenlaan 88 bus 40D
1000 Brussel